Geloof en wetenschap

Een populaire vraag die geloof op de een of andere manier wil laten wankelen, gaat over het vermeende verschil, of een vermeende onoverbrugbare kloof, tussen geloof en wetenschap. Een van de grote problemen van zo’n vraagstelling is dat die zowel geloof als wetenschap tekort doet.

Ik geloof. Dat betekent dat ik bijvoorbeeld ook geloof in de eerste hoofdstukken van Genesis, het scheppingsverhaal. Het is één van de krachtigste, meest positieve, mooiste, meest liefdevolle verhalen die in onze geschiedenis zijn opgeschreven. Dat is iets anders dan dat God letterlijk in zes maal vierentwintig uur alles heeft gemaakt. Over de interpretatiemogelijkheden van het scheppingsverhaal wil ik een andere keer uitweiden, maar de kern is de onmetelijke kracht van God die uit het scheppingsverhaal spreekt. Die kracht slaat elk ‘debat’ over geloof versus wetenschap dood.

‘Geloof versus wetenschap’ is geen of/of-vraag. Geloof en wetenschap sluiten elkaar niet uit, ze vullen elkaar aan en ze bestaan zelfs dankzij elkaar. Uit geloof is de wetenschap ontstaan, getuige het werk van vele nieuwsgierige christenen, en omgekeerd hebben wetenschappelijke ontdekkingen, heeft wetenschappelijke vooruitgang bij velen het geloof in God juist bevestigd, verstevigd of verdiept. Gelukkig staan zowel veel gelovigen als veel ongelovigen voor dit inzicht open. Twee visies maken deze kwestie echter problematisch.

De ene visie is die van de strenge atheïsten, die ervan uitgaat dat de Bijbel (in meer of minder vriendelijke bewoordingen) weinig of geen waarheid bevat, dat de informatie die erin staat niet klopt, niet te bewijzen is. Deze atheïsten drammen op het leveren van ‘(wetenschappelijk) bewijs’, maar zien tegelijk het (ook wetenschappelijke) bewijs dat er wel degelijk is, niet als bewijs – of ze wijzen het zelfs categorisch af. Echt helder wordt hun vraag om bewijs meestal niet, maar ze bedoelen meestal iets in de richting van een sluitende, natuurwetenschappelijke theorie of verklaring voor het bestaan van God en Zijn schepping. Ook denken ze, of stellen ze, dat dit het enig mogelijke bewijs is.

Door deze benadering duwen ze zichzelf en anderen weg van een waarachtige lezing en verwerking van de Bijbel. Daarnaast is het alsof ze een voetbalwedstrijd beoordelen met tennisregels: ze verlangen iets wat inherent niet past bij geloof en ze denken dat ze daarmee iets aantonen wat heel inherent niet aan te tonen valt.

De andere visie is die van strenge christenen, vooral zij die de Bijbel zeer letterlijk nemen en geen enkele andere lezing toestaan dan dat alles wat in de Bijbel staat, letterlijk bedoeld is. Ze zien hun lezing als de enig mogelijke lezing.

Bij hen is het alsof ze een reisverhaal interpreteren als een kookboek: ze lezen op een manier die vaak niet bij de betreffende tekst past en ze bouwen een stellige, letterlijke lezing op die veel te weinig ademruimte voor een gelovige laat om in zijn geloof te groeien en te ontwikkelen.

Een essentieel deel van geloof is mystiek. In de Eucharistische Gebeden, tijdens de Mis, volgt op de herdenking van het laatste avondmaal de zin: ‘Verkondigen wij het mysterie van ons geloof’, waarna we een van deze twee zinnen bidden: ‘Heer Jezus, wij verkondigen Uw dood, en wij belijden tot Gij wederkeert, dat Gij verrezen zijt.’ Of: ‘Als wij dan eten van dit brood, en drinken uit deze beker, verkondigen wij de dood des Heren, totdat Hij komt.’

Centraal staat dus de mystiek van Jezus’ kruisdood en wederopstanding. Dit is het grootste wonder dat Hij op aarde verrichte: dat hij vrijwillig, namens en voor de hele mensheid, de rechtvaardige straf voor de zonden (de dood) op Zich nam aan het kruis, en opstond uit de dood – want, zo zei Jezus: “Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en ieder die leeft in geloof aan Mij, zal in eeuwigheid niet sterven. Gelooft gij dit?” (Johannes 11:25-26) Op een menselijke manier is dit niet te begrijpen, niet te bevatten. Dat kán niet. Geloof is noodzaak, elke vraag om ‘bewijs’ laat zien dat deze vragensteller met lege handen staat.

(Ik citeer niet alleen Jezus’ uitspraak over Zijn lijden, dood en verrijzenis, de mystieke kern van het geloof, maar ook de vraag die Hij erna stelt en die ook deel is van die mystiek. Jezus spreekt hier met Marta, de zus van Lazarus, die Hij hierna uit de dood zal opwekken. Maar deze vraag is natuurlijk aan iedereen persoonlijk gericht. (De subtiliteit dat Jezus dit vraagt, op een heel eenvoudige manier, en niet zegt of beveelt, is prikkelend, maar iets voor een ander betoog.))

Denk ook aan wat Paulus in zijn eerste brief aan de Korinthiërs schreef: ‘Maar wij verkondigen een gekruisigde Christus, voor de Joden een aanstoot, voor de heidenen een dwaasheid, maar voor hen die geroepen zijn, joden zowel als heidenen, is Hij Gods kracht en Gods wijsheid.’ (1 Korinthiërs 1:23-24) Ook Paulus benaderde hiermee de mystieke kern van het geloof: de gekruisigde Christus, die pas te begrijpen is door geloof en door niets anders dan geloof.

Een belangrijke aanwijzing voor hoe we om kunnen gaan met geloof, ligt in de, contra-intuïtief woordeloze kern van het geloof. Geloof is je relatie met God. Hoewel woorden daarin een grote rol spelen (in gebed, in de Mis, in Bijbellezing) hebben woorden hun begrenzingen. Gelovige ervaringen hebben die begrenzingen niet. Meditatie of gebed zonder woorden kan voorbij die verbale gebieden gaan en je dichter bij God brengen. Niet voor niets wordt het, onterecht aan Sint Franciscus toegeschreven citaat ‘bid onophoudelijk; gebruik woorden indien noodzakelijk’ vaak aangehaald.

Zonder dat het gezegd wordt, is duidelijk dat ‘bewijsdrang’ in het geheel niet aanwezig is. Er is geen formule, geen theorie of theoretisch vermoeden. De lijnen waarlangs je God ontdekt, ontmoet en ervaart, liggen heel ergens anders. Ook de profeten uit het Oude Testament, te beginnen met Mozes, bewandelen die lijnen. Zij hadden een intensieve relatie met God, die hen juist verkoos om Zich tot het volk te richten. Ze twijfelden soms, ze wisten het soms niet goed. Mozes betwijfelde, zeker in het begin, onophoudelijk of hij de grote taak wel aan kon die God hem oplegde: hij stotterde immers, kwam moeilijk uit zijn woorden en zag zichzelf niet in staat om de grote groep Israëlieten te leiden. Micha liet zich in eerste instantie verleiden om een gunstig visioen te delen en vertelde in tweede instantie de onverbloemde waarheid. En Jona sloeg zelfs op de vlucht toen God hem riep, en deed pas wat God wilde nadat hij op een schip bekende dat dit in de problemen kwam door zijn aanwezigheid, vervolgens door een grote zeevis werd opgeslokt en ten slotte na drie dagen op het droge werd gespuwd. Maar altijd zochten ze de weg naar God, stonden ze open voor Zijn woord, beseften ze hun eigen nietigheid, volgden ze de Heer. ‘Niet mijn, maar Úw wil geschiede’ – ook in het Oude Testament zien we dat dit inzicht al volop aanwezig is.

Bewijsdrang gaat uit van het menselijke, van de beperking van het ego en de ratio. Geloof is oneindig veel breder en dieper dan dat. Het vraagt je om open te staan, ontvankelijk te zijn, niet jezelf tussen jou en God te plaatsen, in de wetenschap dat je vertrouwen in God altijd beloond zal worden.