Een berg in zee gooien

In de Bijbel komen we regelmatig dingen tegen die ‘in het echt’ niet kunnen. Daarmee bedoelen we: menselijk gezien, ‘normaal’ gesproken, kunnen sommige dingen niet. Toch staan ze in de Bijbel, en met belangrijke redenen. Om te beginnen weten we dat we teksten niet alleen maar letterlijk hoeven lezen, maar ze ook metaforisch, poëtisch, retorisch of anders bedoeld kunnen zijn. Daarnaast weten we dat de boodschap van een Bijbeltekst vaak belangrijker is dan een letterlijke lezing en dat al die mogelijke manieren van lezen helpen om de boodschap beter te begrijpen.

We lezen bijvoorbeeld Marcus 11:23: “Voorwaar, Ik zeg u: Als iemand tot deze berg zegt: Hef u op en stort u in de zee, en als hij in zijn hart niet twijfelt, maar gelooft dat gebeuren zal wat hij zegt, voor hem zal het werkelijkheid worden.”

We begrijpen dat we dit niet letterlijk voor elkaar kunnen krijgen, maar dat maakt deze zin (die Jezus tegen zijn leerlingen uitspreekt) des te krachtiger. De boodschap die erachter schuilgaat, is heel belangrijk voor een christen in het verstevigen van zijn geloof.

In welke context staat deze zin? Marcus 11 begint met de intocht in Jeruzalem. Daarna volgen drie belangrijke gebeurtenissen, die opbouwen naar de derde en belangrijkste. Eerst volgt, in twee delen, het verhaal over de vijgenboom, onderbroken door de tweede gebeurtenis, de tempelreiniging. Dat stuk eindigt met Marcus 11:23-26, de derde en belangrijkste gebeurtenis, waarin Jezus de leerlingen onderwijst over een stevig geloof in God.

We staan in Marcus 11 op de drempel van Jezus’ laatste week, waarin Zijn lijden en sterven in Jeruzalem plaats zullen hebben. En net zoals Jezus meermaals het lijden voorspelt aan Zijn leerlingen, geeft Hij ze ook krachtige parabels, metaforen en lessen mee in het licht van Zijn snel naderende lijdensweg.

De intocht in Jeruzalem, in Markus 11:1-10, beschrijft hoe de leerlingen een veulen uit de stad naar Jezus brengen, zodat hij op het veulen gezeten de stad kan binnengaan. Jezus komt niet te paard, maar op een veulen, het ‘kind’ van het paard. Volgens mij loopt dit gegeven parallel met Jezus’ benadering van het kind elders in de evangeliën, vooral in de manier waarop Hij Zijn leerlingen onderwijst hoe ze hun relatie met God kunnen vormgeven zoals een kind zich verhoudt tot zijn ouders. Jezus op het veulen is al net zo klein en benaderbaar voor Zijn leerlingen.

De eerste gebeurtenis daarna staat in Markus 11:12-14 en Marcus 11:20-21. We lezen over de vijgenboom. Deze staat in bloei, maar draagt geen vrucht; het was ook ‘niet de tijd van de vijgen’. Jezus vervloekte de vijgenboom. Als de leerlingen de volgende dag weer langs deze boom lopen, blijkt hij tot hun verbazing te zijn verdord vanaf de wortel.

De tweede gebeurtenis, beschreven in Markus 11:15-19, is de tempelreiniging. Jezus en de leerlingen bezoeken de tempel in Jeruzalem en zien de joden handel drijven in de tempel. In een ongekende woede-uitbarsting maakt Jezus het de handelaars onmogelijk hun werk voort te zetten en jaagt Hij ze weg. “Staat er niet geschreven: Mijn huis zal een huis van gebed worden genoemd voor alle volkeren? Maar gij hebt er een rovershol van gemaakt.” (Marcus 11:17) Dit is volgens het Marcusevangelie het moment waarop de hogepriesters en schriftgeleerden, uit vrees vanwege Jezus’ populariteit, een mogelijkheid zochten om Hem ter dood te brengen. (Marcus 11:18-19)

De derde gebeurtenis is Jezus’ metaforische boodschap aan Zijn leerlingen, nadat ze hun verbazing over de verdorde vijgenboom hebben geuit: als je wil, kan je zelfs een berg bevelen zichzelf in zee te storten. De kern van Zijn boodschap: je geloof stelt je in staat dingen te doen die jou daarvoor onmogelijk schenen; je kunt dingen veranderen die daarvoor onveranderlijk schenen.

De vijgenboom en de handel in de tempel zijn beide ook een metafoor voor dingen die niet zijn zoals ze horen: het is niet het seizoen voor vijgen, maar toch staat de vijgenboom in bloei; de tempel is geen plaats voor handel, maar toch vindt er volop commerciële handel plaats. Twee gebeurtenissen, een natuurlijk fenomeen en een fenomeen dat uit intrinsiek menselijk handelen is ontstaan, waarvan mensen meteen aannemen, of accepteren, dat ze niet te veranderen zijn – ook de handel in de tempel, oftewel verkeerd gedrag dat is ontstaan en dat niet verandert omdat niemand wil, of denkt te kunnen ingrijpen, omdat het maar al te vaak als een status quo wordt beschouwd.

Jezus geeft aan dat je geloof je daar echt kan brengen. Daarom staan een natuurlijk fenomeen en een gedragsfenomeen naast elkaar. Daarna volgt de climax: “Jezus antwoordde hun: ‘Hebt geloof in God. Als iemand tot deze berg zegt: Hef u op en stort u in de zee, en als hij in zijn hart niet twijfelt, maar gelooft dat gebeuren zal wat hij zegt, voor hem zal het werkelijkheid worden.’” (Marcus 11:22-23)

Natuurlijk begrijpen we de beeldtaal van vers 23 en juist die beeldtaal geeft ons de moed om op God te vertrouwen, ook over onze grenzen heen.

De kern van dit inzicht gaat om je innerlijke geloof, vanuit het hart, door met puur geloof en zonder twijfel te bidden, zodat God je kan geven wat je nodig hebt. Zo ben je in staat anderen te vergeven, zodat God jou kan vergeven: “Daarom zeg Ik u: Alles wat ge in het gebed vraagt, gelooft dat ge het al verkregen hebt, en ge zult het verkrijgen. Hebt ge iets tegen iemand, terwijl ge staat te bidden, vergeeft het dan, opdat ook uw Vader in de hemel u uw tekortkomingen moge vergeven.” (Marcus 11:24-25)