Eén van de moeilijkste kwesties waar ik als volwassen bekeerling mee te maken had, was de zonde. Natuurlijk voelde ik me zielsgelukkig dat ik het geloof had… ontdekt, gekregen, gevonden? Het was geleidelijk aan gebeurd. Het besef dat God bestaat, dat Hij je liefheeft, dat Hij wil dat je naar Hem toe komt, dat Zijn zoon aan het kruis is genageld om de zonden van de mens, van álle mensen, inclusief ik, zodat voor ons allemaal de weg naar God weer toegankelijk is, is onmetelijk.
Het gaf steeds meer vaste grond onder de voeten, richting en duiding. Ik wist me gedragen. Maar ik wist ook dat de zondeleer hier onlosmakelijk mee verbonden is. Ik weet dat sommige katholieken (of algemener: christenen) daar weinig tot niets van willen weten. De visie die vroeger gemeengoed was, waar kinderen vanaf hun Eerste Communie wekelijks met de schoolklas te biecht gingen, heeft een lange nasleep: nu deze mensen, die de grote groep katholieken vormt, op of na de middelbare leeftijd zijn, zwaait de pendule de andere kant uit en is de biecht voor velen onder hen een zeldzaamheid. Maar dit geldt ook voor veel nieuwe en jongere kerkgenoten.
Volgens de officiële katholieke leer, geformuleerd in de Catechismus, komen diegenen die sterven in (niet opgebiechte) doodzonde in de hel. Degenen die niet in doodzonde sterven, komen of in het vagevuur (omdat ze weliswaar in staat van genade verkeren, maar nog een aantal (niet opgebiechte) dagelijkse zonden uit moeten boeten), of in de hemel (omdat ze in staat van genade verkeren en geen zonden meet uit moeten boeten).
De Catechismus formuleert het zo dat duidelijk is dat de hel een bewuste keuze is: blijf je Gods barmhartigheid weigeren, weiger je tot je levenseinde om te geloven en je te bekeren, weiger je de hulp aan de zwakkeren in de samenleving, dan betekent dat dat je je definitief van God scheidt. Die staat van jezelf uitsluiten van Gods Liefde is de hel. Zoals geloof, het aannemen van Gods barmhartigheid, een vrije keuze is, is niet (willen) geloven dat ook. Of, zoals C.S. Lewis het schreef: “De deur van de hel zal slechts aan de binnenkant op slot zitten.”
Een niet-christen kan naar de hemel gaan en een christen kan ook naar de hel gaan. In Romeinen hoofdstuk 2, één van de belangrijkste brieven uit het Nieuwe Testament, legt St. Paulus dit duidelijk uit: “God kent geen partijdigheid. Die zonder de wet hebben gezondigd, zullen ook zonder de wet omkomen; en die met de wet hebben gezondigd, zullen door de wet worden veroordeeld. Niet de hoorders van de wet zijn rechtvaardig in Gods oog; alleen de onderhouders van de wet zullen worden gerechtvaardigd. Wanneer heidenen, die de wet niet hebben, uit zichzelf doen wat de wet verlangt, zijn zij zichzelf tot wet, al bezitten zij de wet dan niet. Door hun daden tonen zij, dat de wet in hun hart geschreven staat, waarbij komt het getuigenis van hun geweten, terwijl hun gedachten hen over en weer beschuldigen of ook wel vrijspreken, in afwachting van de dag waarop God volgens mijn evangelie over de verborgen daden van de mens zal oordelen, door Christus Jezus.” (Romeinen 2:11–16)
Sommige katholieken stellen dat het voor katholieken zelfs moeilijker zou zijn om in de hemel te komen dan voor niet-katholieken, omdat ze op aarde alle kennis en inzicht, alle mogelijkheden tot bidden, biechten en vergeving vragen moeten hebben gekend en toegepast. Ze zouden geen enkele onwetendheid of verzachtende omstandigheid kunnen aanvoeren.
Draait het om de zonden? Ja. De prijs voor de zonde is de dood (Romeinen 5, Jakobus 1). En omdat iedereen zondig is, verdient iedereen de doodstraf. Maar Jezus heeft Zijn lijden en Zijn kruisdood geheel vrijwillig op zich genomen, omdat Hij zo de zonden van de mens op Zich nam door in de plaats van de mensen de doodstraf te ondergaan. Jezus maakte zo de weg naar God weer toegankelijk voor iedereen.
Maar centraal in het geloof en in het leven staat Gods liefde: “ubi caritas et amor Deus ibi est” (“waar vriendschap is en liefde, daar is God”). Natuurlijk: zonden en oprecht berouw daarvan, en de oprechte vergeving die je daarvoor, liefst in de biecht, aan God hebt gevraagd, zijn heel belangrijk. Maar hoe ga je tijdens je leven met Gods liefde om? Jezus legt in meerdere evangeliën de nadruk op de (al in het Oude Testament beschreven) twee geboden die het belangrijkst zijn — en ze gaan allebei over de liefde: “Nu trad een schriftgeleerde op Hem toe, die naar hun woordenwisseling geluisterd had en, begrijpende dat Hij hun een raak antwoord had gegeven, legde hij Hem de vraag voor: “Wat is het allereerste gebod?” Jezus antwoordde: “Het eerste is: Hoor, Israël! De Heer onze God is de enige Heer. Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel, geheel uw verstand en geheel uw kracht. Het tweede is dit: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf. Er is geen ander gebod voornamer dan deze twee.” (Marcus 12:28–31)
In het Johannes-evangelie vereenvoudigt Jezus zelfs het geloof tot één enkel gebod: “Dit is mijn gebod, dat gij elkaar liefhebt, zoals Ik u heb liefgehad. Geen groter liefde kan iemand hebben dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden.” (Johannes 15:12–13)
In de brief van Jacobus wordt tenslotte de kwestie waar de vraag op wijst, haarscherp ontleed, en wordt het echte belang duidelijk: “Wie de hele wet onderhoudt maar op een punt struikelt, die staat schuldig ten opzichte van het geheel. Want Hij die gezegd heeft: Gij zult geen overspel doen, heeft ook gezegd: Gij zult niet doodslaan. Wanneer gij dus geen echtbreuk pleegt maar wel doodslag begaat, zijt gij toch een overtreder van de wet. Spreekt en handelt als mensen die door de wet der vrijheid geoordeeld zullen worden. Want onbarmhartig zal het oordeel zijn voor hem die geen barmhartigheid heeft bewezen, maar de barmhartigheid triomfeert over het oordeel.” (Jacobus 2:10–13)
Barmhartigheid! Dat is nu het centrale begrip, de kernwaarde. Liefde, Gods liefde, is Barmhartigheid. De twee geboden die Jezus ons meegaf (Marcus 12:28–31) komen neer op Barmhartigheid geven: het eerste gebod op Barmhartigheid vragen aan God, het tweede gebod (de voorwaarde voor het eerste, die we bijvoorbeeld ook in het Onze Vader bidden: “vergeef ons onze schuld, zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaren”) op Barmhartigheid geven aan onze naasten. Niet voor niets is één van de zaligsprekingen in de Bergrede: “Zalig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervinden.” (Mattheus 5:7)