Gedicht: Ik ben een oude, lege fles

Ik ben een oude, lege fles, dobberend op zee.
Mijn glazen jas, ooit gedoopt in rode wijn, is droog
door zout in overvloed van nat. Het papier in mij,
gehavend en gebarsten, door zilte wind geschuurd,
een brief van één zin lang die eindigt in een vraag.

Ik vond een man die over water loopt.
Voor wie verdrinken dreigt, verschijnt hij
uit zijn houten toren als een vuurkolom.
Hij heeft mij lief. In zijn nabijheid wordt
het water stomend warm. Hij noemt mij zout.
De scheuren in mijn brief lijmt hij met bloed weer aan elkaar.

Ik vond een haven, een stevige, houten kade
tussen boten en water. Vissers met hun netten in de weer.
Hij vroeg en vraagt mij telkens met hem mee. En elke keer
ga ik hem achterna.

De bovenzaal waar hij mij altijd welkom heet, is warm en droog.
Hier lezen we elkaars verweerde brief, die in ons binnenste brandt.