Eén enkele regel

Waarom straft God alle mensen vanwege één enkele regel, over het eten van de vruchten van die ene boom in het Paradijs?

Deze vraag, vaak gesteld door atheïsten, maar ook door gelovigen die met klok en klepel worstelen, is gesteld vanuit een menselijk standpunt. Maar om te begrijpen wat hier gebeurt, moeten we het verhaal van de zondeval in Genesis 3 lezen vanuit Gods perspectief.

Adam en Eva worden door God als laatste geschapen en uitgenodigd om de aarde te bevolken en aan zich te onderwerpen. Na een onbenoemde hoeveelheid tijd (misschien was het heel snel, misschien gingen er vele tientallen jaren overheen) verleidt de slang Eva om die ene regel te overtreden. God had namelijk gezegd: “Van al de bomen in de tuin moogt ge vrij eten, maar van de boom van de kennis van goed en kwaad moogt ge niet eten, want op de dag dat gij daarvan eet, moet ge sterven.” (Genesis 2:16-17) Eva zwicht voor de verleidingen van de slang en daarna zwicht ook Adam als hij Eva’s uitnodiging aanneemt om van de vrucht te eten.

In Genesis 3 maakt God expliciet duidelijk hoe ernstig dit vergrijp is en wat de gevolgen ervan zijn.

Vanuit een puur menselijk perspectief lijkt het niets. Je mag alles, behalve de vruchten van die ene boom eten. Wat maakt het uit als je dat toch doet? Het is toch ‘maar’ een vrucht?

“God, ik weet wat u wilt, maar dat maakt me niet uit. Ik wil doen wat ík wil doen.” De Amerikaanse priester Michael Thomas Schmitz (bekend van het YouTube-kanaal ‘Ascension Presents‘) legt in meerdere homilieën uit dat dát in de kern is wat zonde is. Puur voor het begrip van het woord ‘zonde’ maakt het niet uit wat je doet. Je zondigt als je niet doet wat God wil, maar wat je zelf wil, als je het belangrijker vindt wat je zelf wil doen dan wat God wil dat je doet.

Dat is wat Genesis 3 duidelijk maakt. Het gaat niet om het menselijke perspectief. Het gaat om de menselijke neiging tot zondigen, doen wat God niet wil, de eigen wil belangrijker vinden. Het verhaal van de zondeval in Genesis 3 is een schoolvoorbeeld van zondigen; daarom staat de zondeval 1) in het eerste Bijbelboek en 2) ook precies op deze plaats (meteen na het grote liefdesverhaal van Gods schepping), omdat het de basis van onze verhouding tot God, namelijk de spanning tussen de menselijke tekortkomingen en Gods liefde, benadrukt. Het laat zien wat zonde is en wat de gevolgen van zondigen zijn; op dit verhaal volgt namelijk direct Gods woord over de ernst en de gevolgen van de zondeval.

De rest van de Bijbel, waarin tal van andere zondes worden beschreven, verwijst telkens hiernaar terug: de mens is getekend door die zondeval en dus door de intrinsieke neiging tot zondigen, en God reageert daarop. In het Oude Testament volgt dit telkens ongeveer een gelijk patroon; in het Nieuwe Testament brengt God Zelf het ultieme offer voor de zonden (zoals te lezen in het Oude Testament waren dit verschillende soorten offers) door Zichzelf als offer te laten kruisigen, de zonden van de mens op Zich te nemen om hen zo blijvend met Hem te verzoenen.


De reactie van God op de zondeval, in Genesis 3, bestaat zoals een kruis uit een horizontaal en een verticaal deel.

Het horizontale deel is het menselijke vlak. God haat de zonde, maar houdt van de zondaar. Hij zal de mens nooit verlaten, ook al verlaat de mens God. In Genesis 3:21 is te lezen dat God de mens helpt door kleding van dierenvellen voor Adam en Eva te maken. In Genesis 4:1-2 lezen we vervolgens dat Adam en Eva dankzij de gunst van God kinderen krijgen: Kaïn en Abel.

(Terzijde: direct nadat Kaïn en Abel zijn geïntroduceerd, lezen we opnieuw over zonde, ditmaal de broedermoord op Abel. Na de “eerste zonde” en de introductie door God van de dood, het sterven, gaat de “tweede zonde” juist over dood; het doodmaken, vermoorden van een mens. En direct lezen we eerst Gods reactie, en daarna hoe God ook Kaïn niet verlaat, ondanks zijn zonde: Hij beschermt hem tegen moord en schenkt hem zijn nageslacht.)

Het verticale deel is het spirituele vlak. In Zijn reactie op de zondeval spreekt God voor het eerst over de heilsgeschiedenis, in een voorspelling over de verhouding tussen de slang (de duivel) en het nageslacht van Eva (Maria en haar zoon Jezus Christus): “Jahwe God zei toen tot de slang: `Omdat ge dit gedaan hebt, zijt gij vervloekt, onder alle tamme dieren en onder alle wilde beesten! Op uw buik zult ge kruipen en stof zult ge vreten, alle dagen van uw leven! Vijandschap sticht ik tussen u en de vrouw, tussen uw kroost en het hare. Het zal uw kop bedreigen, en gij zijn hiel!'” (Genesis 3:14-15)

De zondeval is het punt waar een aantal belangrijke fenomenen en ontwikkelingen beginnen. God zal, een lange tijd na de geschiedenis van Adam en Eva, hun kinderen en van Abraham, Isaac, Jacob en Esau, Zijn volk bevrijden uit de slavernij in Egypte. In de woestijn zal hij, via Mozes, de Wet aan de Israëlieten geven: 613 regels, waarvan de Tien Geboden de bekendste zijn. (Veel later zal Paulus in Galaten 3 uitleggen dat de Wet moest komen om ons bewust te maken van de zonde voordat Jezus zou komen – gechargeerd geformuleerd was het dus een tussenstap.) Een aantal verhalen van na de tocht door de woestijn toont hoe het volk, of sommige individuen, worstelen met deze Wet.


Toen de tijd er rijp voor was, kwam Jezus Christus. Hij onderwees en genas ons en Hij leerde ons Gods liefde kennen. Hij stierf aan het kruis voor de vergeving van al onze zonden, waaronder de erfzonde. Daarvoor was Jezus’ kruisdood noodzakelijk, legt Paulus in meerdere van zijn brieven uit, omdat we daarna niet meer gerechtvaardigd zijn door de Wet, maar door Jezus’ offer. “Des te zekerder zullen wij, nu wij eenmaal gerechtvaardigd zijn door zijn bloed, dankzij Hem ontkomen aan de toorn. Toen wij vijanden waren, zijn wij met God verzoend door de dood van zijn Zoon; des te zekerder zullen wij, eenmaal verzoend, gered worden door zijn leven. En dat niet alleen: nu reeds juichen wij in God door Jezus Christus onze Heer, door wie wij de verzoening hebben ontvangen.” (Romeinen 5:9-11)

Al voor de bekering van joden en heidenen tot het christendom, waren mensen al met God verzoend door Jezus’ kruisdood. Helemaal tot Christus bekeerd, te beginnen met de doop, zijn we gerechtvaardigd door Zijn bloed door ons geloof schenkt God ons vergeving van de zonden.

Jezus was er al vóór de tijd, bij God de Vader en de Heilige Geest. Hij wist van het begin af aan wat Hij moest doen; God de Zoon hield dermate van God de Vader dat Hij, hoewel boven de erfzonde verheven en volkomen onschuldig, Zich vrijwillig overgaf om te lijden en aan het kruis te sterven. Hij wist dat die lijdensweg en marteldood, hoewel onmenselijk zwaar, maar tijdelijk waren, en dat Zijn lijden de mens daarna voor eeuwig bevrijdde van alle zonde, inclusief de erfzonde.