Ze namen Hem over; Hij liet Zich overnemen

We lezen Johannes 19:14-16:
14 Het was de voorbereidingsdag voor Pasen, ongeveer het zesde uur. Hij zei tot de Joden: “Hier is uw koning.”
15 Maar zij schreeuwden: “Weg, weg met Hem! Kruisig Hem!” Pilatus vroeg: “Zal ik dan uw koning kruisigen?” De hogepriesters antwoordden: “Wij hebben geen andere koning dan de keizer!”
16 Toen leverde hij Hem aan hen uit om de kruisdood te ondergaan, en zij namen Hem over.

Johannes 18 en 19 vertellen het lijdensverhaal van Jezus. Hoofdstuk 19 begint met de geseling en de doornenkroning en eindigt met de graflegging. Midden in dit hoofdstuk staan de laatste zinnen die Pilatus tijdens het (schijn)proces tegen Jezus uitspreekt.
Het Johannesevangelie legt grondig uit dat Jezus’ lijdensweg en kruisdood voortkomen uit het joodse paasfeest, Pesach, dat de uittocht uit Egypte en de bevrijding uit de slavernij viert. In de Bijbelse tijd slachtten joden aan het begin van het feest een Paaslam, of Pesachlam. Jezus wordt om die reden dan ook het (onschuldige) lam, of ook wel het Paaslam genoemd, dat geslacht wordt ter vergeving van de zonden. Hij werd immers als baby in een kribbe, een voederbak voor de lammeren gelegd, en werd aan het begin van Zijn openbare optreden door Johannes de Doper al ‘het Lam Gods’ genoemd: tekenen die vooruitwijzen naar Zijn bestemming.

Wat staat er in Johannes 19:14-16? Het is een cruciale passage, omdat Pilatus in deze verzen, na gespannen discussies met Jezus en de schriftgeleerden, zijn pleit voor de vrijlating van Jezus staakt en Hem overlevert aan de mensen die Jezus aanklagen. Dat is een merkwaardige stap voor Pilatus – dominant, onbuigzaam, hard, op geweld belust. Althans, zo wordt de historische Pilatus voorgesteld, onder meer door joodse tijdgenoten als Philo van Alexandrië en Josephus Flavius. Sterker nog, Pilatus werd uit zijn ambt ontheven: er waren wantoestanden ontstaan omdat hij veel te gretig mensen executeerde. Waarschijnlijk vond hij snel daarna een roemloos einde in een afgedwongen zelfmoord.
Ik neem dat historische beeld ter kennisgeving aan. We weten echter ook dat Jezus een diepe indruk op mensen achterliet. Naar mijn indruk botsten Pilatus’ brute, agressieve stijl met de diepe, persoonlijke indruk die Jezus ook op hem gemaakt moet hebben. Het lijdensverhaal in het Johannesevangelie, waar de gesprekken tussen Jezus en Pilatus het meest eloquent en diepzinnig zijn weergegeven, geeft daar ruim voldoende aanwijzingen voor.
Pilatus was één van de eerste mensen die zich voor een paradox gesteld zag: Jezus was een man met een onopvallend uiterlijk en voorkomen (iets wat we ook uit de Bijbel kunnen afleiden); Pilatus zag Hem als een devoot gelovige joodse man met een aantal volgelingen, zoals er in die tijd heel veel rondliepen in die regio – maar Jezus was ook iemand die, als Hij zijn mond open deed, zeer bijzondere, intrigerende en radicale dingen zei. In de Bijbel staat regelmatig vermeld dat hij ‘met gezag’ sprak en dat de toehoorders daardoor tot geloof kwamen. Jezus was immers God de Zoon, innig verbonden met God de Vader, een relatie die het Johannesevangelie nadrukkelijk uitwerkt. Hoe valt de kleinheid van de mens Jezus te rijmen met de grootsheid van Jezus die God de Zoon is?
Daarbij gedroeg Jezus zich niet als een gemiddelde verdachte – of in elk geval niet als een onschuldige, onterecht gearresteerde verdachte. Ligt het immers niet veel meer voor de hand dat iemand die beweert onterecht gearresteerd te zijn, zijn zaak verdedigt, argumenten aandraagt voor zijn onschuld, probeert om vrij te komen?
Jezus deed niets van dat al.
Het Johannesevangelie is het meest uitgebreid over het (schijn)proces van Jezus voor Pilatus. Meer nog dan de synoptische evangeliën laat dit evangelie zien hoe Pilatus heen en weer werd geslingerd tussen de Romeinse belangen, zijn rol in de lokale orde en veiligheid, en de diepe indrukken die zijn gesprekken met Jezus op hem maakten.
Maar Pilatus was hier ondanks alles een onaangetaste leider. Jezus werd verraden, gearresteerd, vals beschuldigd, bespot, verloochend, geslagen en gegeseld voor Hij voor de laatste keer voor Pilatus kwam te staan, dé Romeinse autoriteit in deze regio.

Laten we gedetailleerd ingaan op de tekst van Johannes 19:14-16.
‘Het was de voorbereidingsdag voor Pasen’: we worden nogmaals herinnerd aan het belang van deze gebeurtenissen, vanuit de visie achteraf, van Christus’ kruisdood en verrijzenis. Zijn lijden vindt plaats op de voorbereidingsdag van het joodse Pasen; de lijdensweg van Christus is de voorbereiding voor het grote paaswonder: Christus die waarlijk verrijst uit de dood.

‘ongeveer het zesde uur’: de veroordeling van Christus tot de kruisdood gebeurde midden op de dag. (De periode tussen zonsopgang en zonsondergang werd in twaalf gelijke delen verdeeld; het zesde uur ligt dus precies tussen zonsopgang en zonsondergang in.)
In het Johannesevangelie vinden meerdere sleutelpassages midden op de dag, of juist midden op de nacht plaats. Jezus’ gesprek met Nicodemus, een farizeeër die stiekem een volgeling van Jezus was, vond ’s nachts plaats; Zijn gesprek met de Samaritaanse vrouw midden op de dag. Een centraal motief van het Johannesevangelie is de keuze tussen licht en duisternis, oftewel de keuze om Jezus te volgen of Hem af te wijzen. Nicodemus is deel van de joodse elite en om die reden vindt het gesprek in de duisternis plaats; immers, de joden wijzen Jezus af. De Samaritaanse vrouw hoort bij een bevolkingsgroep, de Samaritanen, die in Jezus’ tijd niet als (traditioneel) joods werd beschouwd, maar door de niet-joden wel als joods. Dat zij midden op de dag met Jezus spreekt en tot geloof komt, past bij Jezus’ inclusieve missie die juist bedoeld is voor de verschoppelingen en de mensen die tussen de wal en het schip vallen.

Hij zei tot de Joden: hoewel we weten dat de farizeeërs en oudsten bij Pilatus aanwezig waren, staat hier expliciet het woord ‘Joden’, kortom: Pilatus spreekt tot álle joodse mensen, of tot het jodendom in het algemeen.

“Hier is uw koning”: Jezus en zijn leerlingen waren joods. Hij verkondigde het Koninkrijk van God en legde de relatie tussen God de Vader en Hemzelf, God de Zoon, uitgebreid uit. Hij uitte felle kritiek tegen de farizeeërs en de oudsten vanwege hun zeer dogmatische benadering van God en hun technische benadering van de joodse geboden en verboden; desondanks noemt Pilatus Jezus hun koning. Deze uitspraak van Pilatus is sterk verbonden met een andere uitspraak in Johannes 19:5, waar Pilatus, na de geseling van Jezus, tegen de farizeeërs en oudsten zegt: “Hier is de mens.”
“Hier is de mens” versus “Hier is uw koning”; in het licht van een Pilatus die diep geraakt is door de verschijning en de persoonlijkheid van Jezus, verdwijnt elke mogelijkheid tot cynische of sarcastische interpretatie van Pilatus’ woorden. Wellicht gaf Pilatus de opdracht tot geseling met het wrange doel een compromis te zoeken, ergens halverwege tussen vrijheid en doodstraf. In de menselijke conditie van de antieke beschavingen, waarvan Rome de laatste was, geen bizarre gedachtegang.
Wellicht heeft het ermee te maken dat Pilatus in Johannes 19:3 zegt: “Ik vind geen schuld in hem.” Hij ziet Jezus nog steeds als een volwaardig mens. Waarom Pilatus Hem zelfs een koning noemt, hangt samen met wat de farizeeërs en oudsten Pilatus voor de voeten werpen in Johannes 19:12: “Als ge die man vrijlaat, zijt ge geen vriend van de keizer. Wie zich voor koning uitgeeft, komt in verzet tegen de keizer.” Zo pregnant en riskant is Pilatus’ uitspraak: hij brengt zijn carrière en waarschijnlijk ook zichzelf in gevaar door Jezus hier expliciet als (hun) koning aan te wijzen. Het onderstreept weer de diepe indruk die Jezus op Pilatus moet hebben gemaakt.
Maar we moeten ook oog hebben voor een centrale boodschap in het Johannesevangelie: het mysterieuze gegeven dat Jezus niet gekend, niet aangenomen wordt, om wie Hij is (zie bijvoorbeeld uit de inleiding op het evangelie Johannes 1:9-11: ‘Het ware Licht, dat iedere mens verlicht, kwam in de wereld. Hij was in de wereld; de wereld was door Hem geworden, en toch erkende de wereld Hem niet. Hij kwam in het zijne, maar de zijnen aanvaardden Hem niet.’). Door Jezus nadrukkelijk als mens te benoemen, wordt zijn Goddelijke natuur ontkend; door Hem vervolgens als een (wereldse) koning te benoemen, worden vervolgens zowel zijn menselijke als zijn Goddelijke natuur ontkend.

Maar zij schreeuwden: “Weg, weg met Hem! Kruisig Hem!”: het retorische middel dat hier is ingezet, is een epizeuxis: herhaling van een woord of een korte zin benadrukt zijn kracht en betekenis. In de Nederlandse vertaling komt het niet volledig uit de verf, maar er staat drie keer hetzelfde: ‘weg met Hem’. De eerste herhaling is een letterlijke herhaling en de tweede herhaling (‘Kruisig Hem’) is de climax van het antwoord aan Pilatus.

Pilatus vroeg: “Zal ik dan uw koning kruisigen?”: Pilatus stelde deze vraag meerdere malen, ofwel aan de farizeeërs en oudsten, of bij uitbreiding aan de joden in het algemeen. Telkens had deze vraag een verschillende lading en betekenis. Het is lastig om te interpreteren hoe deze vraag moet hebben geklonken. In het licht van bovenstaande sluit ik sarcasme of cynisme vooralsnog uit. Mogelijk nam Pilatus’ verbazing toe over de woede bij de farizeeën en oudsten, mogelijk was dit een geprikkelde reactie, omdat hij in toenemende mate zijn grip op het (schijn)proces kwijtraakte.

De hogepriesters antwoordden: “Wij hebben geen andere koning dan de keizer!”: het kan zo zijn dat de joden, die door Mozes hun Tien Geboden (of, in de joodse uitleg, de Tien Woorden) van God ontvingen, een zware zonde hebben begaan. Want stellen zij hier de Romeinse keizer niet boven God? Of staat hier iets anders en gaat het enkel om de aardse macht? Kort voor Zijn lijdensweg, in een poging om Jezus met Zijn eigen woorden te vangen, vroegen ze Hem of ze belasting aan de keizer zouden moeten betalen. Jezus’ bekende antwoord was: “Geeft dan aan de keizer wat de keizer toekomt, en aan God wat God toekomt.” (Mattheus 22:21) De bewering van de farizeeërs en oudsten aan Pilatus staat hiermee in schril contrast.
In het Oude Testament lezen we onder meer over de periode waarin de joden koningen hadden. Op een zeker moment werd de regio bezet door het Romeinse leger. Zoals gebruikelijk nam de Romeinse staat bevoegdheden af van de lokale of regionale machthebbers, waaronder de bevoegdheid om de doodstraf uit te spreken. (Dat is dan ook de reden waarom de farizeeërs en oudsten met Jezus naar Pilatus zijn gegaan.) Pilatus kon als enige iemand de doodstraf opleggen en de hogepriesters wilden de doodstraf voor Jezus. Was het een calculerende benadering om zodanig bij Pilatus in het gevlei te komen dat ze zelfs trouw aan de keizer uitspraken om de doodstraf te bewerkstelligen?

Toen leverde hij Hem aan hen uit om de kruisdood te ondergaan: wie bij (de allereerste) lezing van Johannes 18 en 19 de indruk kon krijgen dat Pilatus Jezus wellicht vrij zou kunnen krijgen, is uiterlijk op dit punt gedesillusioneerd. Omdat we natuurlijk al weten hoe dit verhaal afloopt, is het voor ons geen verrassing. Elke reactie van Pilatus op de opmerking van de schriftgeleerden, ‘We hebben geen andere koning dan de keizer’, zou tegen zijn positie, tegen zijn functioneren, tegen zijn autoriteit in gaan. Het doel van die opmerking, Pilatus pat zetten, was gelukt.
Opvallend aan het Johannesevangelie is dat de zinnen waarin Jezus voorkomt, in principe altijd actief zijn opgeschreven: die zinnen laten Jezus zien als de handelende, actieve persoon, niet als iemand die iets ondergaat. Zelfs de laatste zin voor Zijn dood is actief geformuleerd: ‘toen boog Hij het hoofd en gaf de geest.’ (Johannes 19:30) Daarom is de zin: ‘Toen leverde hij Hem aan hen uit…’ opvallend: Jezus is hier níet de handelende persoon, maar Hij ondergaat hier de handeling, en wel het gekruisigd worden. Dat juist deze zin passief is geformuleerd, benadrukt dat Jezus het lijden ondergaat ter vergeving van onze zonden, om het verbond tussen God en de mens te herstellen.

en zij namen Hem over: Jezus is officieel uit handen gegeven. Het lijkt er nogmaals op dat Pilatus niets met schuld aan Jezus’ kruisdood te maken wil hebben. Uit het Mattheusevangelie is bekend dat Pilatus demonstratief zijn handen wast om zich te distantiëren van deze, door hem niet gewenste uitkomst van dit (schijn)proces. Deze formulering van het Johannesevangelie lijkt erop te wijzen dat Pilatus zich aan de uitvoer en wellicht zelfs aan de verantwoordelijkheid van deze straf wil onttrekken.
Het is, nogmaals, niet de Pilatus zoals hij uit de wetenschappelijke of historische bronnen naar voren komt. Geen mens kan worden teruggebracht tot een eendimensionale karakterschets die altijd onverkort waar is. Iedereen die Jezus ontmoette, was diep onder de indruk van wie Hij was. Dat kan ook niet anders: Hij is God de Zoon. Hij zei opvallend weinig tegen Zijn aanklagers, sprak geen letter uit ter verdediging van Zichzelf. Pilatus was een van de vele mensen die Hij onderweg, tussen de intocht in Jeruzalem en Zijn Hemelvaart ontmoette. Jezus wist wat er te gebeuren stond, en waartoe het diende. Ze namen Hem over; Hij liet Zich overnemen, om God te kunnen verheerlijken en om aan het kruis te overwinnen.