Ooit las ik een mooie vraag over de spirituele wereld. Als de microscopische wereld te klein is om met het blote oog te zien, zou je dan kunnen zeggen dat de spirituele wereld te groot is om met het blote oog te zien?
Deze vraag laat verschillende dingen zien. Een: dat je de spirituele wereld niet met het blote oog kan zien, in elk geval niet vanuit onze menselijke dimensie en grootte. Twee: dat de verhoudingen en verschillen in afmetingen belangrijk zijn. En drie: dat het niet om het zichtbare gaat.
Mijn eerste associatie bij deze vraag bleef dicht bij de vergelijking met de microscopische wereld: het heelal, te groot om met het blote oog te zien, kunnen we (stukje bij beetje) bestuderen met sterrenkijkers en satellieten. We leiden daar gigantische structuren uit af: sterrenstelsels die duizenden lichtjaren in doorsnede zijn en tientallen miljarden sterren bevatten. We trekken de eerste logische conclusie dat we meer afstand nodig hebben om iets van grote afmetingen goed te kunnen zien. Op dezelfde manier kun je immers nauwelijks iets over een menselijk lichaam zeggen door met een vergrootglas naar een enkele moedervlek te kijken. We beseffen dat we de kennis, de apparatuur en de mogelijkheden niet hebben om werkelijk zo’n overzicht te kunnen verkrijgen, we moeten hem goeddeels invullen, inter- of extrapoleren. Op kleinere afstand zien we maar één of enkele onderdelen van die grote structuur en op grotere afstand hebben we hulpmiddelen nodig die we vooralsnog niet kunnen maken.
Geldt dit voor de spirituele wereld ook?
Het christelijk geloof barst van de paradoxen. Je stuit geregeld op een constatering, een bewering of een uitleg die zichzelf tegen lijkt te spreken – líjkt, want bij diepere verkenning blijkt er een diepere waarheid achter te zitten. Een gekruisigde koning is zo’n paradox. En ook: God is tegelijkertijd zo groot als het universum en zo klein als een hostie. Hoe kan dat? Verwacht geen kant-en-klaar antwoord, maar mediteer op deze paradox.
Ja, we zien een hostie. Maar ‘zien’ we God in de hostie? Hoe goed je een hostie ook bestudeert, je zal, bij vergelijking met een ongewijde hostie, niets anders ‘zien’. Toch is de hostie waarlijk het Lichaam van Christus, nadat een priester tijdens de Mis de Eucharistische gebeden heeft uitgesproken. In het gebed horen we bijvoorbeeld: ‘Heilig deze gaven met de dauw van uw Heilige Geest.’ Aan het eind van deze gebeden, vlak voor de communiegang, toont de priester de hostie aan de congregatie met de woorden: ‘Zie het Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld.’ We weten dan dat we met het brood en de wijn waarlijk het Lichaam en Bloed nuttigen van Jezus, die voor onze zonden gestorven is.
Is het belangrijk om te ‘zien’ dat, en zo ja wát die wijding verandert aan de hostie en de wijn? Nee. Dat is juist waar het niet om gaat. Toen Jezus na Zijn dood en verrijzenis aan de apostelen verscheen, was Thomas er niet bij. Hij weigerde te geloven en zei: ‘Pas als ik Hem zelf gezien heb en pas als ik mijn vingers in Zijn kruiswonden kan leggen, geloof ik.’ Een week later verscheen Jezus opnieuw aan de apostelen en nu was Thomas er wel bij. Jezus vermaande Thomas niet, maar nodigde hem uit zijn vingers in Zijn kruiswonden te leggen. Thomas brak en viel op zijn knieën met de woorden: ‘Mijn Heer en mijn God .’ Jezus antwoordde: ‘Omdat je gezien hebt, geloof je? Zalig zij die niet zien en toch geloven.’ (Johannes 20:24-29)
Deze uitspraak heeft veel kanten. Hij gaat bijvoorbeeld over mensen die ‘bewijs’ willen van bijvoorbeeld het bestaan van God, en weigeren te geloven zolang dit ‘bewijs’ uit zou blijven. Maar hij benadrukt vooral dat geloof, maar ook het beleven van God, van Zijn liefde en genade, veel verder gaat dan het zichtbare, of het (rationeel) waarneembare.
‘Wie God niet overal zoekt, vindt hem nergens.’ Die uitspraak van Jean Antoine Petit-Senn, een 19e-eeuwse dichter uit Genève, las ik vlak voor mijn Vormsel. Deze prachtige antithese laat twee fundamentele principes zien. Een: God is zo groot dat Zijn alomtegenwoordigheid overal merkbaar en kenbaar is. En twee: als gelovige word je uitgenodigd om de veelzijdigheid en alomtegenwoordigheid van God te (her)kennen. Maar dat is toch echt iets anders dan letterlijk of visueel God, of bij uitbreiding de spirituele wereld, willen of kunnen zien.
Ik las een getuigenis van iemand die in het Midden-Oosten door de woestijn reisde en daar ’s nachts een sterke gelovige ervaring kreeg. Ze voelde Gods aanwezigheid in dat barre landschap onder een, voor onze begrippen ongekende sterrenhemel. Maar het was voor die reizigster vooral een kleinerende, overweldigende indruk. Ook dat kan God zijn. Niet voor niets zegt Jezus: ‘Weest niet bevreesd voor hen die wel het lichaam kunnen doden maar niet de ziel; vreest veeleer Hem die en ziel en lichaam in het verderf kan storten in de hel.’ (Mattheus 10:28).
Ik citeer de laatste alinea uit het boekje ‘Zorgen voor je ziel’ van Timothy Radcliffe OP, priester en Dominicaan:
‘Ten slotte biedt de eucharistie ons datgene waaraan onze wereld ten diepste behoefte heeft, namelijk hoop. Enkele jaren geleden verbleef ik in een klooster in Syrië. We waren maar vier kilometer verwijderd van de frontlinie met ISIS, of Da’esh. We konden ’s nachts de gevechten horen. Elke ochtend vierden we de eucharistie. Als je dat zo dicht in de buurt doet van mensen die met alle liefde je hoofd zouden afhakken, herinnert dat je aan de diepe hoop ervan. Die hoop werd geboden op een moment waarop er geen toekomst leek te zijn. Alles was uiteen aan het vallen. Alles wat voor ons lag was lijden en mislukking. Op dat donkerste moment maakte Jezus dit gebaar van verbijsterende creativiteit. Dit is mijn lichaam, dat voor jullie gegeven wordt. Zo ziet de voeding voor onze zielen er uit.’
De alomtegenwoordigheid van God is ook merkbaar in de gruwelijke en onmenselijke omstandigheden van een oorlog. Ook, zelfs, in één van de gruwelijkste conflicten van de vroege 21e eeuw is God zichtbaar, in al Zijn macht en in al Zijn breekbaarheid. De tijdloze, oneindige diepte van God kan geweldig confronterend zijn, maar gelijktijdig biedt die een peilloze rust en stabiliteit.
Zalig die niet ziet en toch gelooft.